top of page
  • Writer's pictureJoost van Ladesteijn

KWALIFICATIE ARBEIDSOVEREENKOMST: GA MAAR UIT VAN BEROEP

De kwalificatie van overeenkomsten blijft de gemoederen bezig houden.


Op 19 mei 2021 oordeelde de Rechtbank Rotterdam dat geen arbeidsovereenkomst tussen partijen bestond. De persoon in kwestie factureerde maandelijks een vast bedrag voor vier dagen in de week en bepaalde zelf waar en wanneer hij werkte.


De beoordeling van de rechtbank rammelt. Het start met een onderscheid tussen enerzijds de partijbedoeling en anderzijds of partijen zich hebben gedragen alsof tussen hen een arbeidsovereenkomst bestond. Vervolgens brengt de rechtbank een deel van de feiten in en kwalificeert die. Daarna gaat hij in op het verzoekschrift en de elementen "arbeid, loon en gezag" om daarop te erkennen dat wellicht voldaan is aan de eerste twee elementen, maar dat kortweg de uitvoering van de overeenkomst door het onafhankelijk gedrag i.c. meebrengt dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.


Deze beoordeling is zo onbegrijpelijk. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020 is oa de partijbedoeling relevant in de uitlegfase; niet in de daarop volgende kwalificatiefase met toetsing van de vastgestelde feiten aan de verschillende elementen van artikel 7:610 BW. Om me aldus tot een element te beperken: de rechtbank lijkt dus (gedeeltelijk) reeds te kwalificeren in de (nog niet afgeronde) uitlegfase. Dat is niet zuiver.


Alle rechtsfeiten van de uitlegfase gaan grofweg in de systeem-"mallen" van de kwalificatiefase. Deze techniek gaat niet primair om gewenste rechtsbescherming. Zo kan een platformwerker opdrachtnemer en een directeur een werknemer zijn en vice versa. Volstaan politiek de systeemuitkomsten niet, dan is het aan de wetgever.


Ondernemers opgelet: kwalificeer en doordenk strategisch populaties, zo ook "opdrachtnemer"-systemen.


Commentaires


bottom of page